De eigenwijsheid van het geheugen

Boeken - 31 augustus 2006 - Auteur: Krijn Thijs

(31 augustus 2006) Günter Grass’ nieuwste werk ‘Beim Häuten der Zwiebel’ zou ook zonder de publiciteitszucht van de auteur geslaagd zijn geweest. Het boek is een schitterend geschreven, openhartig en indrukwekkend zelfonderzoek.

Günter Grass heeft een prachtige metafoor gevonden voor zijn herinneringen. Het graven in je geheugen, op zoek naar ‘vroegere uitgaven’ van jezelf, is als het pellen van een ui. Laag na laag beweeg je je door de tijd, betast en ‘lees’ je de huid van de ui. Hoe dichter je bij het midden komt, hoe vochtiger de ui en hoe sappiger de herinneringen, met tranende ogen als gevolg: Emotie, maar ook een vertroebeld zicht. Vaagheid, zwemmende ogen en in elkaar overlopende beelden kenmerken de diepten van je geheugen. En: de hoop om tot de kern van de ui door te dringen is een illusie. Er is geen pit of vaste grond, er zijn slechts schillen, verhaalfragmenten, indrukken en vraagtekens – wat er van ‘waar’ is blijft dikwijls open, machteloos zit je op je oude dag met duizend vragen.

Ziehier de rode draad door Grass’ herinneringsboek, dat hij met opzet geen autobiografie noemt. Meteen op de eerste bladzijden wordt duidelijk dat Grass niet, zoals het autobiografisch misschien hoort, alles in het werk heeft gezet om zijn leven waarheidsgetrouw te reconstrueren. Hij haalde er geen kranten, dagboeken, archieven of geschiedenisboeken bij – ook al omdat de familiedocumenten tijdens de vlucht uit Danzig na de oorlog verloren gingen. Nee, wat Grass opschrijft zijn herinneringen in veeleer letterlijke zin. Niets anders wil hij op papier zetten dan wat hij nu, op 78-jarige leeftijd, zelf uit zijn geheugen kan opdiepen. De twijfels en raadsels die daarbij ontstaan zijn een belangrijk thema van het boek, dat dus meer gaat over de Grass van nu, dan over de Grass van vroeger. Het is geen historisch onderzoek, maar een herinneringsonderzoek.

Verschil

En dus wekte de ophef over Grass’ ‘bekentenis’ dat hij lid was van de Waffen-SS veel verkeerde verwachtingen, die de auteur overigens zelf met veel tamtam in de wereld heeft geholpen. Er is een verschil van dag en nacht tussen Grass als schrijver en Grass als publiek persoon. In tegenstelling tot de sensatiebeluste optredens van Grass in de pers ("Waarom ik mijn zwijgen verbreek") heeft het herinneringsboek weinig weg van een biecht. En anders dan de aankondiging "Dat moest er eindelijk eens uit" deed vermoeden, neemt het relaas over de Waffen-SS bepaald niet de centrale plaats in. Waar de ergernis over Grass’ strategische publiciteitsstunt en over zijn lange zwijgen nog steeds begrijpelijk zijn, is het boek zelf een prachtig geschreven, openhartig en indrukwekkend zelfonderzoek – niet in de laatste plaats door de voortdurende reflectie over de eigenwijsheid van het geheugen.

Grass begint bij het einde van zijn jeugd, dat hij laat samenvallen met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Danzig in 1939. De twaalfjarige raakt zoals zo velen volledig in de ban van het nationaalsocialisme. Eindeloze vragen stelt de oude aan de jonge Grass, waardoor er een merkbare afstand tussen de twee kennelijk verschillende personen ontstaat. Ben ik dat? Waarom stelde ik niet de juiste vragen, waarom protesteerde ik niet? Wat dacht ik? Antwoorden zijn zeldzaam en de lezer rest alleen de zekerheid dat de propagandistische bioscoopjournaals een grote indruk op de jongeling maakten.

Maar indrukwekkend zijn ook Grass’ persoonlijke schilderingen van zijn vader en zijn moeder. En van de voor de puber Grass beklemmende omgeving van het kleine huis, waar hij ’s nachts hoorde hoe zijn ouders seks hadden. Dat arbeidsdienst en later leger avontuurlijke uitwegen boden verwondert de lezer niet, evenmin als de keuze voor de fascinerende en heldhaftige wereld van de onderzeeërs. Als dat niet doorgaat, belandt Grass eind 1944 bij de Waffen-SS.

Archeologie van de herinnering

Inderdaad, de omstandigheden waaronder dit precies gebeurt, blijven hoogst onduidelijk, zoals dus wel meer episoden in onzekere vorm worden verteld. Maar Grass verstaat de kunst om ook door het stellen van eindeloze vragen zijn verhaal op zijn minst te suggereren. Zo schrijft hij over het afscheid tussen de aankomende soldaat en zijn vader op het perron: "Bij hem, niet bij mij kwamen tranen omhoog. Hij omhelsde mij. Nee, ik sta erop dat ik mijn vader omhelsd heb. Of kwam het slechts tot een mannelijke handendruk? Waren we spaarzaam tot zuinig met woorden? ‘Het ga je goed, zoon!’ - ‘tot snel, papa’? Nam hij zijn hoed af toen de trein het station uit reed? Streek hij verlegen zijn blonde haar glad? Zwaaide hij met zijn velours? Of zelfs met zijn zakdoek, waarvan hij de vier punten bij grote hitte in de zomer samenknoopte en – voor mij belachelijk – als hoofdbedekking droeg? Wuifde ik uit een open coupéraampje terug, zag ik hem kleiner en kleiner worden? Duidelijk blijft, dat in de verdwijnende achtergrond de stad met al zijn torens voor de avondhemel stond." In deze stijl verstelt Grass steeds veel, ook als hij niet meer weet hoe het gegaan is. In die zin is het boek inderdaad, zoals een recensent schreef, van Sokrates-achtige wijsheid: Grass weet, dat hij niets weet. En vertelt.

Het hoofdstuk over Grass’ belevenissen aan het front blijft ijzersterk, ondanks alle gaten in het verhaal en los van de beschuldigingen over zijn lange zwijgen. Zijn kennismaking met de ook wel Stalinorgels geheten Russische Katjoesjaraketten, hoe de zeventienjarige het, weggekropen onder een tank, in zijn broek deed en vervolgens de enige overlevende van zijn groep bleek te zijn, de complete chaos van groepjes verdwaalde soldaten, de stroom van vluchtelingen, het rommelige front – deze fragmenten zijn onmiskenbaar een sterk staaltje van anti-oorlogsliteratuur.

Na de oorlog

Maar minstens zo belangrijk zijn in het boek de lotgevallen van de jongvolwassene erna. De ontnuchtering in lazaretten en gevangenenkampen, waar de achttienjarige tot 1946 verbleef. Hier begon zijn dubbele honger, namelijk die naar voedsel en naar lichamelijk contact met het andere geslacht. Openhartig schrijft Grass over zijn onstilbare behoefte aan seks en masturbatie, over zijn dromen over vrouwen en zijn ontmaagding.

Maandenlang struinde Grass door Duitsland op zoek naar snelle seks, een bord warm eten, een baantje met onderdak en allerlei ruilobjecten voor de zwarte markt. Het weerzien eind 1946 met zijn uit Danzig naar West-Duitsland gevluchte familie wordt een feest van wederzijds ‘veelzeggend zwijgen’ (hij over frontervaringen, zijn moeder en zusje over de verkrachtingen). Na nauwelijks een week verlaat Grass opnieuw zijn ouderlijk huis, om zijn opkomende derde honger te bevredigen, namelijk die naar kunst, eerst als tekenaar en beeldhouwer, daarna als schrijver.

Geen biecht

Hoewel Grass’ verslag van zijn herinneringsonderzoek tot het eind toe boeiend blijft, verdwijnt de metafoor van de ui met het voortschrijden van de tijd meer en meer naar de achtergrond. Ergens is dat logisch, want de vaagheid van de herinneringsbeelden neemt af. Alleen daardoor is al duidelijk dat een herinneringsboek in deze vorm geen vervolg kan krijgen. De Grass van 'Die Blechtrommel', waar het verhaal mee eindigt, is tezeer de Grass van nu om de ik- en de hij-vertelvorm te mengen.

Günter Grass heeft dit boek niet puur als biecht over zijn lidmaatschap van de Waffen-SS geschreven. Daarvoor is het te compleet. De literaire vorm en de vele verwijzingen naar de rest van zijn oeuvre zullen weliswaar stof voor discussie blijven leveren, maar de heftige ‘Grass-affaire’ van de afgelopen weken had vooral te maken met Grass als publiek figuur. Het boek waar alle commotie om te doen was, is overtuigend en zou ook zonder publiciteitszucht van de auteur tot meerdere herdrukken zijn gekomen.

Krijn Thijs is historicus en verbonden aan het Duitsland Instituut Amsterdam en de Universiteit Leiden.

Günter Grass, 'Beim Häuten der Zwiebel'
Steidl, Göttingen 2006, € 24,00
ISBN: 3865213308 

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger