Tussen 8 en 10 mei
Zestig jaar herdenking Tweede Wereldoorlog in Duitsland

Achtergrond - 10 mei 2005

(10 mei 2005) Afgelopen 8 mei was het zestig jaar geleden dat nazi-Duitsland onvoorwaardelijk capituleerde. Vandaag wordt na jarenlang touwtrekken het Holocaust-Mahnmal ter nagedachtenis aan de moord op de Europese joden in Berlijn officieel ingewijd. Deze betonnen pijnplek staat ook symbool voor de manier waarop de Bondsrepubliek zich sinds haar oprichting intensief, bijna masochistisch, heeft beziggehouden met de verwerking van de oorlog en het nazisme. 

 Dit verwerkingsproces, dat zich vooral richt op de holocaust, werd sterk bepalend voor de West-Duitse identiteit en wordt meestal aangeduid met de term Vergangenheitsbewältigung. Als er één ding duidelijk is geworden, dan is het dat deze term volstrekt ongeschikt is om dit gehele proces van zestig jaar te beschrijven.

De paradox blijft dat het verleden weliswaar voorbij is, maar dat dit pijnlijke verleden van de nazi-tijd in het collectieve geheugen opgeslagen ligt en elk moment weer een rol kan gaan spelen. Een streep trekken is niet mogelijk. Er bestaat nu eenmaal geen vaststaand recept om dit donkere verleden te boven te komen – te bewältigen. Deze omgang blijft immers neerslag van tijdsomstandigheden en van de verschillende generaties, zoals onder andere de historicus Norbert Frei beweert.

Er zijn verschillende interpretaties en fasen in de confrontatie met het nazi-verleden te onderscheiden. Om de fel gevoerde discussies van de laatste decennia te beschrijven, is de verhouding van daders versus slachtoffers een bruikbaar criterium. Aan de ene kant van het spectrum bevindt zich nog steeds een minderheid die ernaar verlangt om het bruine verleden te relativeren of te verdringen, aan de andere kant bevinden zich degenen die zo gebukt gaan onder schuldgevoelens dat zij zich alleen maar voor hun land kunnen schamen. Deze pendelbeweging tussen een extreem gevoel van schuldbesef en boetedoening enerzijds en een Schlussstrich anderzijds is kenmerkend voor dit verwerkingsproces.

Apatisch

Het grote verschil met de landen die zoals Nederland bezet waren, is dat Duitsland op 8 mei 1945 als land van daders volledig van de kaart werd geveegd. Duitsland was de jaren na de politieke, militaire en morele ineenstorting van het Derde Rijk in vier bezettingszones opgedeeld en de geallieerden maakten er de dienst uit. In tegenstelling tot de mythe van de collectieve schuld gingen de geallieerden in hun zones onder de noemer van denazificatie zeer verschillend te werk, zoals de Amerikanen met hun ‘re-education’-programma.

In het Neurenberger proces en de zogenaamde vervolgprocessen werden de belangrijkste nazi’s ter dood veroordeeld of kregen lange gevangenisstraffen. Dit had slechts gedeeltelijk een reinigend effect, want om het land weer op te bouwen keerden talloze ex-nazi’s in de samenleving op hun posten terug. Slechts een kleine elite hield zich bezig met de schuldvraag, zoals de filosoof Karl Jaspers. De meeste Duitsers waren gedesillusioneerd en apathisch, en enkel bezig met overleven. Zij verdrongen het verleden en zochten hun heil vooral in materiële verbeteringen.

Afrekening

Pas aan het eind van de jaren vijftig begon er in de Bondsrepubliek iets te veranderen. Niet alleen kwamen er nieuwe processen tegen oorlogsmisdadigers op gang, maar opvallend genoeg werd mede door de DDR-propaganda die probeerde de democratie van de Bondsrepubliek te ondermijnen en internationaal in diskrediet te brengen de aandacht gevestigd op nazi’s op hoge posten. Ook het Eichmann-proces van 1960/1961 betekende in zoverre een breuk, dat de nadruk kwam te liggen op de Schreibtischmörder, degenen die vanachter het bureau de jodenvernietiging regisseerden, en op de verschrikkingen van de jodenvervolging.

Waren in de jaren vijftig vooral het verdringen, de wederopbouw, het Wirtschaftswunder en de antitotalitaire consensus van belang, in de jaren zestig en zeventig was er sprake van anti-anticommunisme en een afrekening met de oudere generaties die verantwoordelijk werden gehouden voor de oorlogsmisdaden van het Derde Rijk. Ook kreeg men meer oog voor de joodse slachtoffers zoals bleek tijdens de Auschwitz–processen in de jaren 1963-1965 en de strafrechtelijke vervolging van oorlogsmisdadigers, mede mogelijk gemaakt door de latere verjaringsdebatten.

Zelfonderzoek

 Hierbij werd een genadeloos zelfonderzoek gestart dat gericht was op het voorkomen van een herhaling van de nazi-terreur. Dit gebeurde in eerste instantie niet door historici, maar meer vanuit de vooral jonge bevolking. Hiermee werd mede de basis gelegd voor de ‘revolutie’ van de jaren zestig en zeventig. De opstand tegen de ouders speelde zich niet alleen op straat af, maar kreeg ook de vorm van gevoelige familiedrama’s, waarbij kinderen pijnlijke vragen aan hun ouders stelden.

De generatie ‘68 keerde zich fel tegen de oudere generaties, waarbij het begrip ‘fascisme’ ruim werd opgevat en dienst deed om elke onderdrukkende autoriteit – of het nu West-Duitse politici, Amerikanen in Vietnam, of het Springer-concern betrof – in het beklaagdenbankje te zetten en zich te solidariseren met alle onderdrukten in de wereld –zoals de Zuid-Amerikaanse, Noord-Vietnamese en Palestijnse bevrijdingsbewegingen.

Dit ontaardde uiteindelijk in het politieke geweld van de Rote Armee Fraktion en andere radicale splinterbewegingen, dat zijn dieptepunt vond in de herfst van 1977 met de moord op werkgeversvoorzitter Hanns Martin Schleyer. Door geen oog te hebben voor het op gang komende democratiseringsproces en geen kritiek op de totalitaire verleiding van het communisme te dulden schoten de radicalen hun doel voorbij. De Bondsrepubliek kwam evenwel versterkt uit deze crisis.

Mede door de Amerikaanse tv-serie ‘Holocaust’ die in 1979 in West-Duitsland werd uitgezonden, drong de omvang en de verschrikkingen van het lot van de joden tot brede lagen van de bevolking door. In plaats van Vergangenheitsbewältigung kwam de nadruk meer te liggen op een herinneringscultuur. Tegelijkertijd ging het in het midden van de jaren tachtig in de ‘Historikerstreit’, aangezwengeld door Ernst Nolte en Jürgen Habermas, over de uniciteit van de jodenvervolging. Dit debat was tevens een poging van Nolte c.s. om de rol van de daders en de massamoord op de joden te relativeren.

Ontideologisering

De jaren negentig lieten een ander beeld zien. Na de val de Muur en de hereniging overheerste meer pluriformiteit, en hebben linkse thema’s (“Nie wieder Krieg”) hun invloed verloren. Enerzijds werd onder meer door Daniel Goldhagens boek, ‘Hitler’s willing executioners’ uit 1996 misschien het laatste appèl aan het collectieve geweten van de Duitsers gedaan, anderzijds was er sprake van ontideologisering die gepaard ging met minder moralisme. De morele consensus van de jaren zeventig en tachtig is langzaam aan het afbrokkelen. Het succes van Goldhagens boek was nog te verklaren door de kloof tussen de klinische wetenschappelijke wijze van analyseren door historici en de ‘thick description’ van de politicoloog.

Vanaf de tweede helft van de jaren negentig hebben vertegenwoordigers van de generatie ’68 die zelf de pedagogische Betroffenheitskultur en het Duitse Sonderbewusstsein hebben opgebouwd voor een deel weer ondergraven. De opzienbarende rede van de schrijver Martin Walser in 1998 was gedeeltelijk bedoeld om de ‘instrumentalisering’ van Auschwitz tegen te gaan, en om te protesteren tegen de bijna obsessieve rituele, moralistische manier van omgaan met dat verleden in tv-programma’s en dergelijke.

De studie ‘Der Brand’ van de 68-er Jörg Friedrich en andere publicaties over de geallieerde bombardementen op onder andere Dresden onderstrepen het eigen leed dat miljoenen Duitsers door de oorlog en de nasleep ervan is overkomen. Lange tijd werd de vraag of men dit wel aan de orde mocht stellen, ontkennend beantwoord. Was hier sprake van geallieerde oorlogsmisdaden, of werd extreem-rechts ermee in de kaart gespeeld? De verwerking van de oorlog kreeg hierdoor in ieder geval een nieuwe dimensie: Duitsers als slachtoffers van de oorlog.

Andere kijk

Een andere reden dat de morele consensus ondergraven dreigt te worden, is dat nieuwe generaties, onbelast door het verleden, een andere kijk op het verleden ontwikkelen. Ook zullen de laatste betrokkenen en ooggetuigen – zowel daders als slachtoffers – steeds meer wegvallen. De race om de vraag welke aspecten van de herinnering aan het nazi-regime bewaard zullen blijven, lijkt in haar laatste fase terecht te komen. De herinneringscultuur komt in een ander stadium terecht, of anders gezegd: deze verplaatst zich van een ‘communicatieve herinnering’ van mondeling overgeleverde ervaringen naar een meer culturele herinnering vormgegeven door media, monumenten en films, zoals onder meer blijkt uit de kaskraker ‘Der Untergang’, de eerste speelfilm die Hitler centraal stelt.

Zestig jaar na de oorlog is enerzijds het perspectief verruimd. Auschwitz als het symbool van het Grote Kwaad heeft een universele en wereldwijde waarde gekregen, anderzijds is er een versmalling naar anekdotiek en persoonlijke verhalen te constateren. Tegen beide is wellicht het bezwaar aan te voeren dat ze te ver van de werkelijke historische context zijn komen af te staan.

Welke consequenties dit alles voor de toekomst zal hebben, is nog onduidelijk. Een groot voordeel is in ieder geval dat het historische onderzoek nieuwe kansen wordt geboden zoals blijkt uit het boek ‘Der Volksstaat’ van de Berlijnse historicus Götz Aly. De belangstelling voor het Derde Rijk zal onverminderd voortduren, daarvoor was deze periode te ingrijpend, te veelomvattend en te afschuwelijk. Bepaalde visies op het verleden zullen niettemin uit beeld verdwijnen. Er zullen nieuwe vragen en interpretaties komen, het historisch perspectief zal verschuiven, mede beïnvloed door de globalisering, de uitbreiding van Europa, het islam-fundamentalisme en door de herinnering aan andere vormen van genocide, zoals in 1915 in Armenië.

Zelfbeeld

 Het drukkende verleden heeft het zelfbeeld van veel Duitsers geen goed gedaan. Trots zijn op het eigen land was lange tijd taboe en een vorm van patriottisme was al gauw verdacht. 8 mei werd in 1945 door de meeste Duitsers niet direct als een bevrijding ervaren, maar eerder als een nederlaag. De latere bondspresident Theodor Heuss (FDP) bracht al in mei 1949 de tweespalt scherp onder woorden. Hij sprak van de meest tragische en dubieuze paradox van de geschiedenis voor de Duitsers, namelijk “zowel bevrijd als vernietigd te zijn”.

Veertig jaar na de oorlog, op 8 mei 1985, legde een andere bondspresident, Richard von Weizsäcker, in zijn veelgeprezen redevoering meer de nadruk op bevrijding. Hij zei: “De achtste mei is bevrijding. Die dag heeft ons allen bevrijd van het systeem van de nationaal-socialistische tirannie, een systeem dat mensen veracht”. Dat wilde niet zeggen dat hij geen aandacht had voor de misdaden van de nazi’s en de verschillende groepen slachtoffers. Hij zei verder: ”Wij mogen de achtste mei niet scheiden van de dertigste januari 1933”.

Zonder de onvoorwaardelijke capitulatie van nazi-Duitsland op 8 mei en de vernietiging van het nationaal-socialisme zou Duitsland niet zijn geworden wat het nu is. In die zin had Von Weizsäcker gelijk met zijn opmerking over bevrijding en hoop op een betere toekomst. Of Duitsers zich ooit helemaal van de oorlog zullen bevrijden, is evenwel onzeker.

Afsluiting

Vandaag wordt met de inwijding van het Holocaust-Denkmal een bepaalde fase van het verwerkingsproces afgesloten. Ook kan 8 mei 2005 als een afsluiting van een lange periode van bezinning, pijnlijk zelfonderzoek en het openlijk tonen van schuld en schaamte worden begrepen. Duitsland heeft, zoals de historicus Fritz Stern ooit opmerkte, de tweede kans die het in de geschiedenis heeft gekregen volledig waargemaakt. Paradoxaal is dat Duitsland, juist dankzij de afschuwelijkheden van het Derde Rijk en de lessen die daaruit getrokken werden, is uitgegroeid tot een stabiele democratie die een essentiële bijdrage aan de Europese eenwording heeft geleverd.

In de komende tijd zal Duitsland meer op eigen benen moeten staan en meer vertrouwen in zichzelf moeten ontwikkelen. De Tweede Wereldoorlog is niet alleen een Duitse aangelegenheid geweest, maar maakt deel uit van een gedeeld Europees verleden dat als moreel ijkpunt moet blijven dienen voor de toekomst. De basis voor deze toekomst zal zijn te erkennen dat mensen in Europa zowel daders als slachtoffers zijn geweest in deze meest dramatische periode van de westerse geschiedenis.

Frits Boterman is bijzonder hoogleraar Moderne geschiedenis van Duitsland aan de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan het Duitsland Instituut Amsterdam.

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger