Duitslandweb logo Duitslandweb

Stefan Zweig ontleedt compassie
Recensie van 'Ongeduld', de vertaalde roman van Stefan Zweig

Boeken - 1 juni 2010 - Auteur: Leonhard de Paepe

Stefan Zweig ontleedt in zijn roman 'Ungeduld des Herzens' - vorige maand bij Uitgeverij Atlas verschenen in het Nederlands als 'Ongeduld' - het fenomeen medelijden. Een recensie van Leonhard de Paepe.

Stefan Zweig ontleedt compassie
© Uitgeverij Atlas

Aan het begin van Stefan Zweigs 'Ongeduld' wordt de plichtsgetrouwe cavalerist Toni Hofmiller – het is aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog – overgeplaatst naar een klein garnizoen aan de Oostenrijk-Hongaarse grens. De verbeeldingskracht van de luitenant valt samen met de muren van de kazerne; hij functioneert prima. Groot is de cultuurschok als hij in aanraking komt met de steenrijke familie Kekesfalva. De 25-jarige militair worstelt met en geniet van de wellevendheid, de omgangsvormen, de bedienden. Helaas gaat hij hopeloos de fout in wanneer hij uit hoffelijkheid Edith, de verwende dochter des huizes, ten dans vraagt, die het op een gillen zet omdat zij invalide is. Het is het begin van een pijnlijke band.

Beschaamd vlucht Hofmiller na deze blunder het huis uit. In een roes van paniek en schaamte bestelt hij een bos bloemen als reactie waarop hij tot zijn verbazing een verzoek tot een nieuw bezoekje ontvangt. Zweig, de grote Zweig, beschrijft dan ongelooflijk begrijpend hoe Hofmiller schuchter terugkeert. ‘aan de wijze waarop Edith me met enige moeite haar hand over de tafel toesteekt, merk ik meteen dat ook zij daaraan denkt. Geen van beide slagen we erin om met een welgekozen woord het ijs te breken’. Maar al snel ontsluit zich voor Hofmiller een zachte wereld met hoge stemmen, verlokkende vrouwenarmen, zonder hiërarchie of bevel. Hier is Hofmiller een mens, een jongeman en geen functie. Omdat hij graag bij de Kekesfalva’s is, wordt hij als vanzelf een grote troost voor het invalide meisje dat tot de vensterbank veroordeeld is. Maar de meisjes Kekesfalva begrijpen Hofmillers militaire verplichtingen niet, en de kameraden in de kazerne houden Hofmilller ten onrechte voor een slimme vos die zich in de hogere kringen heeft ingelikt.

Zo legt Zweig het fundament voor het giftige medelijden waar deze roman ‘een studie’ naar is. Als de vader van Edith, die aan de rand van een zenuwinzinking is, Hofmiller smeekt om de behandelend arts een definitief oordeel af te smeken over het genezingsproces van zijn dochter, laat Hofmiller zich daartoe verleiden. De arts vertelt Hofmiller met een typisch Freudiaanse redenering dat het oordeel ‘geneeslijk’ of ‘ongeneeslijk’ een lekenoordeel is, dat nooit uitgesproken kan worden zolang de behandeling voortduurt. Suikerziekte was ooit een ongeneeslijke ziekte en kijk, vandaag de dag is het goed behandelbaar. Precies zo is het met Edith. Het is Condors morele taak als arts, betoogt hij, om niet te berusten in het definitieve ongeneeslijk. Maar Hofmiller vertelt de vertwijfelde oude Kekesfalva die avond dat de arts mogelijkheden ziet, dat het einde in zicht is. En zo opent de luitenant de deur naar een web van leugens en verwachtingen. Hofmiller heeft uit louter medelijden Edith en haar vader tot dwazen gemaakt.

Maar is het zijn schuld? Zweigs grote gaven als psycholoog tonen zich hier. Uit de mond van een woedende Condor tekent hij op:

‘Net zoals de zenuwen steeds meer morfine nodig hebben, zo heeft het gevoel steeds meer medelijden nodig, en uiteindelijk meer dan men geven kan. Ooit komt er onvermijdelijk een moment dat je “nee” moet zeggen en je er niet om moet bekommeren of de ander je om deze laatste weigering nog meer haat dan als je hem nooit had geholpen.’

Erkenning en maatschappelijke klasse

Mensen maken fouten. Hoe ver moet Hofmiller, die geen nee durft te zeggen tegen deze mensen, gaan in zijn verantwoordelijkheid voor de leugen, en het leed van een ander? Is hij werkelijk verantwoordelijk voor het lot van dit meisje? Zweig: ‘Onze besluiten zijn in veel grotere mate afhankelijk van de aanpassing aan onze stand en omgeving dan wij geneigd zijn toe te geven.’ En daarin heeft hij gelijk. We denken allemaal autonome individuen te zijn, maar uiteindelijk zijn we pas wat we zijn in relatie tot anderen. Erkenning is de crux van onze identiteit. Als jij meent dat je president van het land bent, en iedereen erkent je als zodanig, dan bén je president van dat land. Als jij meent dat je marsmannetje bent en niemand gelooft je, dan heb je een identiteitscrisis. Je MOET je identificeren met hoe anderen jou identificeren. Identiteit is identificatie en dat is een sociaal, en geen autonoom product.

En dat geldt ook voor Hofmiller. Na een afspraak bij de rijke familie wil de oude heer Kekesfalva Hofmiller in zijn jas helpen, maar de jongen schrikt ( ‘hoe kan ik, jonge blaag, mij door die oude heer laten bedienen’) en de oude man vertelt hem – luitenantje – hoe gelukkig de bezoeken hem maken. Dit tedere moment doet Hofmiller beseffen dat hij het vermogen beschikt om iemand gelukkig te maken. ‘Misschien moet ik, om te verklaren hoezeer deze plotselinge ontdekking mij bedwelmde, mezelf eerst weer eraan herinneren dat niets me sinds mijn kindertijd zo zwaar had bedrukt als de overtuiging dat ik een volkomen overbodig mens was, die anderen koud of hooguit onverschillig liet.’ (p61) Het is deze onverwachte erkenning van iemand in wie Hofmiller van nature een heer en meester zou herkennen, iemand van wie je zonder vragen orders aanneemt die hem doet beseffen geen functie maar een mens te zijn. Kortom: het wipt hem uit zijn sociale rol en raakt hem direct in zijn mens-zijn, in dat wat blijkbaar het maatschappelijke overstijgt.

Maar… Het maatschappelijke blijft een rol spelen, hoewel Zweig dit zeer subtiel in het stuk verwerkt. Veel later in het boek oefent dezelfde oude man druk uit op Hofmiller om hem aan zijn dochter te binden. Het feit dat Hofmiller hier geen ‘nee’ tegen durft te zeggen, hangt samen met zijn maatschappelijke positie. Aan een prins had de oude man het immers niet gevraagd en een prins had beleefd kunnen weigeren. Hofmiller niet. Evenzo kun je je afvragen of de bij vlagen hondsbrutale Edith zo tekeer zou zijn gegaan tegen Hofmiller als hij van betere komaf was. Daarom laat deze roman ons tevens voelen hoezeer maatschappelijke ongelijkheid de natuurlijke werking van medelijden in de weg staat. Medelijden kun je slechts geven aan, of ontvangen van een gelijke. Dat gebeurt aanvankelijk ook, maar zodra het lot en het levensgeluk van Edith in het geding komen, willen zowel vader als dochter Hofmiller erkenning afdwingen, en plaatsen hem terug in de rol van iemand die tot je beschikking staat. Ook Condor manipuleert Hofmiller. Zweigs psychologische analyse van het medelijden snijdt hier het diepst. Hij registreert de intieme angsten die onder de bewuste en bereflecteerde handelingen liggen en die evenwel de diepste motivatie van onze daden vormen (Zoals Hofmillers angst een overbodig mens te zijn, Ediths angst afstotend te zijn).

Waar ligt uw sympathie?

Ligt uw sympathie bij de onmogelijke, maar toch ook meelijwekkende Edith, die naast slachtoffer toch ook gewoon een vrouw is met verlangens naar mannelijke aandacht, zoals Condor zegt? Ligt het bij de naïeve Hofmiller, die loog, maar die misschien gewoon niet over zijn ontzag voor de hogere sociale klasse kan heenstappen, waardoor hij in een leven gedwongen wordt waarmee hij niet bewust heeft kunnen instemmen? Kiest u voor de vader die toch gewoon het beste voor zijn zieke dochter wil, en de jonge soldaat een royaal en rijk leven aanbiedt? Of kiest u voor dokter Condor?

Condor, de arts in het verhaal, neemt de extreme positie in. Hij neemt het leed van de wereld op zijn schouders. Hij trouwde zelfs met een patiënt die hij ooit ten onrechte genezing beloofde. Condor moedigt Hofmiller aan hetzelfde te doen: ‘Wat u moet doen? Begrijpt u het dan werkelijk niet of wilt u het niet begrijpen? Zij heeft toch haar hart voor u geopend, zich aan u aangeboden, en nu schaamt ze zich dood dat zij dat [...] Ze is helemaal gek van angst dat u een afkeer van haar hebt… omdat ze… Begrijpt u dan niet dat ze daar wel aan kapot moet gaan, zo’n trots, hartstochtelijk iemand als dit kind, wanneer u haar zo laat wachten. Waarom geeft u haar niet wat hoop? Waarom reageert u helemaal niet, waarom bent u zo wreed, zo harteloos tegen haar? Waarom kwelt u dat arme, onschuldige kind zo vreselijk?’ (351)

Tja sympathie heeft een schaal, en dus ook een grens. Hofmiller wordt onder druk gezet om zijn liefde als onderpand te geven voor zijn sympathie, maar die liefde heeft consequenties, en dus wordt hem niets minder gevraagd dan zijn volledige existentie verbinden aan dit meisje omwille van het meisje. Is dat nog een daad van compassie, of is dat dwang? De onderwerping door de hogere klasse van een soldaat? Is het de uiterste consequentie van medelijden of de gruwelijke zuigkracht van slachtofferschap? Uiteindelijk kan Hofmiller geen kant meer op. Hij houdt niet van het meisje maar wordt in haar armen gedreven, hij heeft zich uiteindelijk onmogelijk gemaakt door verschillende signalen uit te zenden naar verschillende partijen die elkaar vroeger of later zullen tegenkomen, en dus ziet Hofmiller nog maar één oplossing. Hij bereidt zich voor op zelfmoord. Filosofisch gesproken moet je concluderen dat Hofmiller zich niet meer kan identificeren met zijn motieven en dus valt letterlijk zijn identiteit uit elkaar. Maar let wel, hij is door zachte dwang ertoe aangezet om zich aan motieven te verbinden die NIET de zijne zijn.

En dan is daar Bubenic, het exacte tegendeel van Condor: de snoeiharde kolonel, die zijn manschappen slaat en uitkaffert. Het is deze Bubenic die hij zijn onmogelijke situatie plus de zelfmoord opbiecht. Bubenic is misschien de grofheid zelve, maar hij is de enige die zich het lot van zijn ondergeschikte aantrekt en de zelfmoord voorkomt. Hij is het die hem overplaatst naar de frontlinie van de oorlog.

Dat is paradoxaal genoeg, voor mij het moment van genade. Uiteindelijk is het lijden van degene die lijdt en niet van degene die meeleeft, die mee-lijdt. Er is een grens aan het medelijden, verder dan erkenning kan je niet gaan, je kunt en mág het lijden niet willen overdragen of zelfs overnemen. Voor mij is daarom Edith degene die moreel faalt. Edith moet leren lijden. Het lijden volgt uit wie zij is. Dat is hard, maar niet zonder compassie. Anderen zullen Edith wellicht hun sympathie toedragen en vinden dat Hofmiller de laatste stap had moeten nemen. Misschien zegt dat iets over de grenzen van het inlevingsvermogen van uw maatschappelijke klasse. Net zoals Hofmiller in het begin van de roman samenvalt met de grenzen van de kazerne. ‘Onze besluiten zijn in veel grotere mate afhankelijk van de aanpassing aan onze stand en omgeving dan wij geneigd zijn toe te geven,’ en dat geldt ook voor de lezer. Met wie kun je je identificeren? Zweig is een grandioze schrijver omdat hij die grenzen dus wél kan overschrijden in deze roman, want hij zet alle personages even invoelend en overtuigend neer.

Leonhard de Paepe studeerde aan de kunstacademie en is filosoof. Hij schrijft onder meer voor NRC Handelsblad. Duitslandweb.nl nam deze recensie, met toestemming, over van Athenaeum Boekhandel.

Tags: literatuur

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

Lees meer over 'Literatuur':

Videocolumn: De magische wereld van Mariana Leky

Videocolumn: De magische wereld van Mariana Leky

Mariana Leky wist onze columniste Britta Böhler te winnen voor het magisch-realisme.

Lees meer

Videocolumn: Leugens lezen

Videocolumn: Leugens lezen

Britta Böhler maakt een uitstapje naar de non-fictie en raadt een filosofisch essay over leugens en liegen aan.

Lees meer

‘In Duitsland is de literaire traditie invloedrijker’

‘In Duitsland is de literaire traditie invloedrijker’

Uitgever Christoph Buchwald vergelijkt het Nederlandse en Duitse literaire landschap.

Lees meer

Videocolumn: Kristine Bilkau

Videocolumn: Kristine Bilkau

Britta Böhler tipt 'Een liefde, in gedachten' van Kristine Bilkau, een van haar favoriete schrijfsters.

Lees meer


top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger