Naar de dokter
Berlijnse lotgevallen (2)

Columns - 5 januari 2010

Het valt voor een Duitser waarlijk niet mee een vertrouwensrelatie met de huisarts op te bouwen. Dat ligt zowel aan de Duitser als aan zijn arts.

Naar de dokter © Afb.: zoellnertk 86, flickr.com
Journalist Annemieke Hendriks bericht in de serie Berlijnse lotgevallen over haar Berlijnse leven, met veel aandacht voor de verschillen in zeden en gewoonten tussen Duitsers en Nederlanders.

Vroeger was dat beter, betoogde een medicijnenprofessor onlangs in een wetenschappelijk stuk over ‘de versterking van het dialogische principe’ – duidelijk niet op zijn patiënten gericht. Vroeger had je een simpele vertrouwensbasis, schrijft hij: de arts bepaalde nogal paternalistisch wat er gebeuren moest en de patiënt bedankte hem daarvoor. Nu wil zelfs de Duitse patiënt, die toch zo autoriteitsgevoelig is, over de behandeling meebeslissen, nadat hij op het internet al heeft ontdekt wat hij mankeert.

Met name de Berlijner shopt van arts naar arts, gevoed met een dosis wantrouwen en pas tevreden wanneer hij de door hem gewenste dosis medicijnen verzameld heeft. Want anders ben je voor niks op consult geweest. De gemiddelde Duitser slikt per jaar voor ruim honderd euro meer weg dan de Nederlander.

De evenzo wantrouwige Berlijnse Allgemeinarzt, die in de grote stad als huisarts dienst doet maar niet bij je thuis komt, heeft geleerd dat een patiënt voor elk wissewasje aanwipt, en desnoods nog eigengereid naar een specialist gaat. Een verplicht tientje ‘boete’ per kwartaal en uren wachtkamerstraf moet dit gedrag althans bij de Duitse ziekenfondspatiënt afremmen – ja, die bestaat hier nog. Helpen doet het niet echt.

'De Nederlandse methode'

Het ingebakken wederzijdse wantrouwen wordt door al dat geshop natuurlijk alleen maar versterkt. De Berlijner beschouwt zijn Allgemeinarzt, mocht hij al een vaste hebben, veel minder dan wij in Nederland als een vertrouwenspersoon. Geen wonder dat hij zich maar weinig kan voorstellen bij een huisarts die zijn patiënt op diens verzoek actief en liefdevol naar diens einde begeleidt.

Actieve Sterbehilfe is, anders dan in Nederland, sowieso strafbaar. Je moet de boze buitenwereld van gewetenloze familieleden, witgejaste moordenaars met spuiten, volle tehuizen en beroepsbezuinigers er vooral niet toe kunnen verleiden jou als patiënt een kopje kleiner te maken. Al wil je dat, halfdood, nog zo graag. Jij hebt niks te willen: het dialogische principe geldt bij het levenseinde niet.

Onder Hitler hebben de Duitsers gezien wat er van euthanasie komt en dat zullen ze ons, naïef poldervolk, blijven inpeperen! Zelfs de Duitse kwaliteitsmedia zaaien bij voorkeur angst voor ‘de Nederlandse methode’. Zelden of nooit figureert in zo’n bijdrage onze begripvolle, belangeloze Hollandse huisarts.

Het wederzijdse wantrouwen tussen arts en patiënt heeft natuurlijk ook goede kanten. De nonchalance waarmee Nederlanders doorgaans over vraagstukken van leven en dood heen walsen, van principiële biotechnologische keuzes tot privacykwesties, is in Duitsland ondenkbaar. Maar in de dagelijkse praktijk mag het ‘dialogische principe’ best wat versterkt worden.

Dat begint er al mee dat ik als ziekenfondspatiënt hier in Berlijn geen afspraak met mijn Allgemeinarzt kan maken. Gewoon op het spreekuur komen en “tijd meenemen”, is het devies, dan kom je na een paar uur heus wel aan de beurt.

Patiëntenpsychologie

Mijn gestel was op hol geslagen. De net afgestudeerde inval-arts stelde direct de juiste diagnose: een te snel werkende schildklier. Helaas worden Duitse medicijnenstudenten in patiëntenpsychologie minder effectief geschoold. Hij meende mij althans terstond op het ergste te moeten voorbereiden. Rampscenario’s over het op handen zijnde radioactieve lamleggen van die snertklier, of voor linksige anti-kernenergie-Berlijners het operatief slopen als alternatief, werden mij voorgehouden. En ik moest ook niet verbaasd zijn wanneer mijn ogen gingen uitpuilen.

Het lukte me nog één vraag over de lippen te krijgen: hoe aflopend is het met me? “Het is ernstig”, antwoordde de arts zakelijk. “maar niet dodelijk. We kunnen ook het opgehoopte vet achter uw ogen nog wegzuigen.”

Eén gesprekje met mijn oude vertrouwde Amsterdamse huisarts en een specialist aldaar, alsmede een medicijnenkuur in Berlijn, brengen mij en mijn schildklier alweer jarenlang tot rust. Ik besloot nimmer meer een Duitse ‘huisarts’ op te zoeken.

Totdat mijn echtgenoot en ik vernamen dat wij als 50+-ers in diezelfde artsenpraktijk gratis een huidkankertjesonderzoek konden doen – op afspraak nota bene, op een speciaal huidkankerspreekuurtje. Dat laat je niet lopen.

'Freikörperkultur'

Wij betraden de spreekkamer van een generatiegenote, die wij beiden al eens eerder hadden geraadpleegd. Prompt sprak deze arts plechtig tot ons: “Ik moet u wel vertellen, en hoop dat dit geen bezwaar is, dat u zich voor dit onderzoek geheel moet ontkleden.”

Manlief en ik kregen direct de slappe lach, terwijl wij onze kledingstukken, bij gebrek aan haakjes, links en rechts op en onder de beschikbare stoelen kwakten. Ons gedrag was blijkbaar zo on-Duits, dat het ‘dialogische principe’ zomaar de spreekkamer in glipte.

Terwijl de arts mijn echtgenoot uitvlooide op verdachte plekjes, vroeg ik haar of ze een Ossi of een Wessi was. Wetende dat de Oost-Duitser niet zo spastisch met naakt omgaat ("Das war die einzige Freiheit die wir hatten") meende ik het antwoord wel te weten: een West-Duitse, die ons op haar automatische riedel over het uitkleden had getrakteerd.

“Ik kom uit het Oosten”, antwoordde ze – en leek stante pede van het laatste restje aangeleerd paternalisme bevrijd. “Ik doe nog steeds graag aan FKK”, vervolgde ze, opeens beseffend waarop mijn vraag doelde. FKK: Freikörperkultur, naakt baden dus. Ze schoot in de lach. Eindelijk mocht ze eens, in haar artsenrol.

Naïef Rudi-Carrellgedrag blijkt de aangewezen weg om deze beroepsgroep uit de kramp te krijgen. We hebben haar ‘gehouden’ – voor zover dat woord van toepassing is op een Berlijnse Allgemeinarzt. Ze eindigde het consult in elk geval met de beste one-liner die ik ooit uit de mond van een arts heb gehoord: “Wij Duitsers zeggen: als als u niet ziek bent, bent u gewoon niet goed genoeg onderzocht.”

Annemieke Hendriks woonde van 1980 tot 1982 in West-Berlijn, maakte in de jaren negentig veel reportages over Duitsland en woont sinds 2002 in Oost-Berlijn.

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger