In de wachtkamer
Berlijnse lotgevallen (6)

Columns - 9 februari 2010 - Auteur: Annemieke Hendriks

Hoe gedraagt een Nederlander zich tussen gehoorzame, geduldige, gezagsgevoelige mensen? Fout dus, constateert Annemieke Hendriks in deel zes van de serie Berlijnse lotgevallen. In de wachtkamer van haar gynaecoloog stuit ze op een ijzige, doodse stilte.

In de wachtkamer
© Afb.: flickr.com/heipei
Journalist Annemieke Hendriks bericht in de serie Berlijnse lotgevallen over haar Berlijnse leven, met veel aandacht voor de verschillen in zeden en gewoonten tussen Duitsers en Nederlanders.

Het gevaar van een column als deze is dat je als schrijver, voor je het weet, algemene uitspraken doet over Duitsers (en Nederlanders). Terwijl – om op prinses Máxima te variëren – dé Duitser natuurlijk niet bestaat. Zelfs niet dé Oost-Duitser en dé West-Duitser. Laat staan dé Berlijner.

Mijn serie impressies vanuit de Duitse hoofdstad, die met deze aflevering ten einde gaat, heeft me gedwongen na te denken over het treinreis-, het sneeuwruim- en het patiëntengedrag van mijn land- en stadgenoten. Zo bleek me dat de Berlijners hun stoepje helemaal niet sneeuwvrij houden, ook al verplicht de wet ze daartoe. Maar wie wil kan in Berlijn net zo goed alle clichés over de gedisciplineerde, autoriteitsgevoelige Pruis vinden.

Daarvoor hoef je geen Hollander te zijn. De Hongaarse Andrea Vándor, een van de hoofdpersonen uit mijn laatste boek 'IJzeren deuren', verbaast zich bij elk bezoek aan Berlijn weer over de autoriteitsgevoeligheid van de Duitsers. Zulke hiërarchische verhoudingen is ze in Hongarije niet gewend.

Discipline

Duitsers doen opvallend anders naar boven, tegen hun baas, vindt Andrea, dan naar beneden, tegen hun ondergeschikten. Chefs laten vrouwen met een lagere rang voor hen draven alsof dat een natuurwet is. En zelfs collega’s met dezelfde rang tutoyeren elkaar amper, constateerde ze verrast.

In Hongarije en Nederland, menen we, is het not done je te laten voorstaan op de positie die je in een hiërarchie inneemt. Je haalt je koffie zelf.

De Duitse omgang met discipline, autoriteit en hierarchie laat zich goed bestuderen in de Berlijnse wachtkamers, zo hebben we beiden ervaren. Om het even of het om de wachtkamer van de politie, het arbeidsbureau of de specialist gaat; wie zich hier niet gedisciplineerd gedraagt, komt nergens. Neem de wachtkamer van mijn gynaecoloog, twee huizen verderop. Na een paar jaar had ik door dat ik gemiddeld drie uur later aan de beurt ben dan mijn afspraakkaartje vermeldt. 11.00 uur? Ik meld me bij de strenge zuster aan de balie en ga weer naar huis, tot net vóór tweeën.

Mijn medepatiënten komen uit de halve stad en zijn niet zelden net zwanger, hoogzwanger of erger. Vaak hebben ze ook een baan, en zij kunnen hun cliënten niet drie uur laten wachten. Dus waar blijft de opstand tegen het medisch regime? Eénmaal heb ik het systeem luidkeels in twijfel durven trekken. “Waarom bestelt u niet gewoon iedereen een paar uur later?” vroeg ik met klem aan de balie. Dat zou elke Nederlander toch zeggen?

Ik kreeg geen zinnig antwoord en vanuit de wachtkamer geen enkele bijval. Integendeel, de gebruikelijke doodse stilte leek nu nog ijziger. Alsof ik het in mijn buitenlandse ongedisciplineerdheid voor allen verpestte, alsof het baliepersoneel uit wraak iedereen nog langer zou laten wachten.

Zachtroze

Om in Duitsland ziek te zijn, moet je heel gezond zijn. Want je moet langs de geüniformeerde brigade van administratief en verzorgend personeel zien te komen. De gynaecoloog zelf lijkt zich van de dagelijkse strijd om haar aandacht niet bewust. Zij bemoeit zich niet met de agenda, zij draagt een flitsend zwart kostuum en zij spreekt niet meer dan noodzakelijk met haar geüniformeerde personeel.

Soms lijden echter ook de artsen onder de macht van hun witgejaste hulpbrigades. De jonge inval-internist in het gezondheidscentrum controleerde mijn opspelende schildklier doorgaans in smetteloos wit. Toen slopen er paars-blauwe kousen in haar outfit. En de keer daarna had ze onder de nu ver geopende witte stofjas een fleurig grasgroen truitje. Toen ik daar wat aardigs over zei, bleek me dat het hier om subversief gedrag ging.

“Er wordt verwacht dat ik deze vreselijke witte Kittel draag”, verzuchtte de internist met een blik richting balie. “’Wij dragen hier allen wit’, liet het personeel me weten. Vanwege de kookwas, vermoed ik, want meer zin kan ik er niet in zien.” Als ze opereerde, legde ze uit, was ze in wit net de slagersvrouw. En als ze spreekuur hield, zoals nu, vloeide er geen bloed, dus waartoe die kiel? “Ik heb ook op een kinderafdeling gewerkt, tot op de sokken in het wit gestoken. Dat kun je die patiëntjes toch niet aandoen?”

Vanochtend was ik na lange tijd weer in datzelfde gezondheidscentrum. De jonge meid achter de balie droeg een witte blouse die naar lichtroze neigde. En de zuster die me bloed aftapte had een roze bodywarmer over haar witte kleding. “Mag kleur nu bij jullie, althans roze?” vroeg ik haar enthousiast. “Is het kookwastijdperk voorbij?” Ze schoot in de lach en prikte bijna naast mijn ader: “Sssst!” Ze wees op de open deur naar de balie: zolang je het maar niet benoemde, kon er nu wel iets. Een zachtroze Berlijnse revolutie.

Annemieke Hendriks woonde van 1980 tot 1982 in West-Berlijn, maakte in de jaren negentig veel reportages over Duitsland en woont sinds 2002 in Oost-Berlijn.

 

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger