Telefooncel

Columns - 10 augustus 2005

(11 augustus 2005) Ik woon boven een telefooncel. Dit was geen reden om voor mijn appartement te kiezen. Toen ik naar de woning ging kijken, viel mij de telefooncel zelfs helemaal niet op. Ik dacht dat mensen überhaupt geen gebruik van telefooncellen meer maakten. Maar in Berlijn is alles net even anders dan elders.

van Anne Renner

De telefooncel. De ouderwetse Münzfernsprecher. Een geel huisje met ramen en een deur die je achter je dicht kunt trekken. Dan geniet je van de rust. Tot het moment dat je vaststelt dat de telefoon niet werkt of de pagina die je nodig hebt uit het telefoonboek ontbreekt. Dat was vroeger. Toen waren er nog geen mobieltjes en was bellen in het openbaar nog privé. De grijze cel met een tintje paars volgde de gele cel op. Daarna kwam een halve cel, waarin het nummer van de inlichtingen het telefoonboek verving. Het nieuwste model is een kale paal, die niet met munten noch met kaarten werkt en waarvan ik niet begrijp hoe je er mee moet bellen. Niemand heeft het nog over de Münzfernsprecher.

De telefooncel voor mijn huis behoort tot het één na laatste model.  Een halve cel met een afdakje en een glazen wandje dat net niet tegen de regen beschermt. En het regent veel deze zomer. Als ik opsta en de gordijnen open doe om te kijken of het regent, dan staat er altijd iemand bij de telefooncel. En als ik ’s avonds thuis kom – en ik kom vaak laat thuis – dan staat er nog steeds iemand. De meeste gebruikers van de telefooncel hebben hun mobieltjes bij de hand om het nummer van degene die ze bellen op te zoeken. Dit betekent dus dat mobieltjes niet per se telefooncellen vervangen. Ik kan van boven zien welke nummers worden ingetoetst en concludeer dat het goedkoper moet zijn vanuit een telefooncel naar een vast nummer te bellen dan vanaf een mobieltje. Het zou mij niets verbazen als deze mensen een dubbelleven leiden. Ze nemen stiekem contact op met hun minnaars. Of ze verdenken hun partners van overspel en bellen hen achterna.

13:27 uur: een auto stopt direct voor de telefooncel. Een dikke vrouw stapt uit, krijgt geen gehoor en rijdt weer weg. 13:40 uur: de benedenbuurvrouw belt vanuit de telefooncel. 14:09 uur: een jonge man doet zijn vinger in zijn linkeroor om zijn gesprekspartner beter te verstaan. Zijn bulterriër zit er wat verveeld bij. 14:18 uur: twee meisjes hangen abrupt en giechelend weer op. 14:46 uur: ik sta met een handvol munten voor de telefooncel. Hij stinkt. In het afdakje brandt licht. Het glas van het informatiebordje is kapot en beplakt met stickers. Ik bel. Mijn huisgenootje neemt op. “Ik probeer de telefooncel uit.” “En, hoe is het?” “Ik voel me bekeken. Je staat vast bij het raam.” Als de telefooncel aangeeft dat ik nog maar 20 seconden heb, tel ik hardop mee. Een kerel die langsloopt doet me na en als ik ophang draait hij zich om en maakt me mijn laatste 20 cent afhandig.

’s Avonds maken de mensen in de telefooncel vooral ruzie. Ze schelden, schreeuwen en dreigen. Er is geen deur die ze achter zich dicht kunnen trekken. Het lijkt alsof ze de deur ook niet missen. De ruzies zijn de enige gesprekken die ik vanuit mijn raam, twee verdiepingen boven de telefooncel, letterlijk kan verstaan. Ik heb lang geen ruzie meer gehad. Soms krijg ik zin om terug te schelden.

Vandaag heb ik gezellig met een vriend een glas wijn gedronken. Vijf minuten nadat hij is vertrokken gaat de telefoon. “Ik sta in een Münzfernsprecher halverwege.” Ik zie hem voor me in het gele huisje, het telefoonboek opengeslagen bij mijn naam. Het regent buiten een klein beetje, maar in de cel is het droog en veilig. Of ik nog een eindje mee ga lopen. Uiteraard ga ik in op een verzoek vanuit een telefooncel. Ook al is het zo’n kale paal. Hoewel, je weet maar nooit. In Berlijn is alles net even anders dan elders.

Anne Renner studeert literatuurwetenschap in Berlijn.  

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger