De gevoelde bedreiging

Achtergrond - 1 januari 2005

Juist omdat Nederland - in tegenstelling tot Duitsland - zo weinig ervaring heeft met terrorisme, kon het er de laatste tijd zo gemakkelijk van in de ban raken. Edwin Bakker vindt dat de Nederlandse regering het hoofd koel moet houden en vooral moet inzetten op vergroting van het gevoel van veiligheid bij de bevolking.

Wat is er voor nodig om Nederland in de ban van terrorisme te laten zijn? Een aanval op twee kantoortorens in Rotterdam met drieduizend doden tot gevolg? Een aanslag op treinen rond Amsterdam waarbij bijna tweehonderd doden vallen? In november 2004 bleek dat ook zeer beperkte acties voldoende zijn om maatschappelijke ontwrichting te veroorzaken. De ingrediënten waren: een moord, brandstichtingen, dreigbrieven en een arrestatie waarbij met een handgranaat wordt gegooid en waarover urenlang ‘live’ op televisie wordt bericht al is er niet veel te zien en gebeurt er eigenlijk amper iets. Dit waren echter niet de enige ingrediënten voor grote onrust. Het onveilige gevoel werd tevens aangetast door uitspraken van sommige politici en bewindslieden na de moord op Theo van Gogh. Via de media werd om het hardst geschreeuwd hoe erg het met het land was gesteld, hoe slecht het anti-terrorismebeleid was en hoe groot het terroristische gevaar wel niet was. Het woord ‘oorlog’ werd niet gemeden. Vice-premier Zalm stelde dat het kabinet de oorlog aanging om dit soort extremisme en radicalisme te bestrijden. Ook diverse tijdschriften, kranten, en televisieprogramma’s spraken van oorlog of wisten te melden dat terrorisme nu geen ver-van-m'n-bed-show meer was, dat de terroristische dreiging nog nooit zo groot als nu was, en dat Nederland in brand stond.

Instrument
Feit is dat het aantal terroristische incidenten in Nederland relatief klein is en dat de moord op Theo van Gogh, in ieder geval wat betreft letaliteit, moeilijk te vergelijken is met ‘11 september’ of ‘Madrid’. Nederland heeft, anders dan andere Europese landen als Frankrijk, Spanje en Duitsland, relatief weinig ervaring met terrorisme. In Nederland is dit verschijnsel vooral een gevoelde bedreiging. Deze moet echter, ondanks het feit dat ze niet bijzonder dodelijk is, serieus worden genomen. Zoals de incidenten in november 2004 hebben laten zien, is hun impact op de maatschappij aanzienlijk. Het aantal doden of gewonden hoeft er niet bijzonder veel toe te doen. De directe slachtoffers zijn immers een instrument en niet het doel van terrorisme, al valt daar in het geval van Theo van Gogh over te twisten. Het gaat primair om het effect van de aanslagen; om het beïnvloeden van de opinie onder (delen van) de bevolking en (daarmee) de politieke besluitvorming. In dat opzicht is de moord op Van Gogh en zijn de ‘aanslagen’ op instellingen die daarop volgden wel enigszins met ‘11 september’ en ‘Madrid’ te vergelijken.

Ondanks de kracht van terrorisme in het algemeen moeten we tevens constateren dat het in Nederland voor terroristen, extremisten en raddraaiers wel erg makkelijk is om ‘succes’ te boeken. Deze situatie is deels in verband te brengen met het feit dat Nederland op het terrein van terrorisme weinig is gewend en alleen in de jaren zeventig regelmatig hierdoor werd opgeschrikt. Tevens is in november 2004 gebleken dat Nederlandse politici, beleidsmakers en opiniemakers niet in staat waren het hoofd koel te houden, laat staan de impact van terrorisme en gewelddadig activisme te beperken. Aangezien het onaanvaardbaar is dat Nederland zo gemakkelijk in de ban van terrorisme geraakt, rijst de vraag wat de overheid hier aan kan doen.

Leiderschap

Moet deze overheid vooral inzetten op preventie: om op die manier zowel fysieke als gevoelde veiligheidsbedreigingen te voorkomen? Bijvoorbeeld door middel van investeringen in de AIVD en de politiediensten, en een betere samenwerking en communicatie tussen instanties? Of door middel van een brede, integrale aanpak om het terrorisme in samenwerking met burgers en private instellingen pro-actief tegen te houden? Waarschijnlijk wel. Maar dergelijke investeringen kunnen uiteraard niet uitsluiten dat terroristen toch ergens mogelijkheden vinden om toe te slaan. Met dit laatste in gedachten zou de overheid in ieder geval ook in moeten zetten op het beperken van de kans op grote schade aan de gevoelde veiligheid. Mogelijkheden op dit terrein zijn het ontwikkelen van een open, actieve en goed doordachte communicatiestrategie ten aanzien van burgers en van beleidsstructuren die een sterk en eenduidig leiderschap van politici en beleidsmakers mogelijk maken. Men zou in dit kader ook kunnen denken aan mogelijkheden om de media te wijzen op hun rol met betrekking tot maatschappelijke onrust en het gevaar dat de media de loopjongens van terroristen worden. Men kan ook denken aan het vergroten van de zichtbaarheid van politie en antiterreureenheden rond bepaalde objecten. Het is echter de vraag of dat juist niet het gevoel vergroot dat de terroristische dreiging enorm is. Een andere concrete maatregel om de gevoelde onveiligheid te beperken is het trainen van meer bomverkenners. Dit kan onnodige evacuaties helpen voorkomen en daarmee het aantal ‘terroristische incidenten’ beperken. Een dergelijk beleid, dat omschreven kan worden als social impact management, is bijzonder hard nodig. Nederland is op dit gebied beslist niet goed voorbereid op een terroristisch incident van enig formaat. Er kan en er zal veel geleerd moeten worden van de gebeurtenissen na de moord op Van Gogh. Alleen zo kan voorkomen worden dat Nederland opnieuw zo gemakkelijk in de ban van terrorisme kan raken.

Dr. Edwin Bakker is als senior research fellow verbonden aan het NIIB Clingendael.

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger