De stad van de toekomst, de toekomst van de stad

Achtergrond - 1 februari 2004

Voorzitter: Drs. Leonard Ornstein
Sprekers: Prof. dr. Heinrich Mäding en prof. Riek Bakker

Leidsche Rijn in aanbouw Het uitgangspunt van deze werkgroep was een beeld te krijgen van de stad in 2015 vanuit zes invalshoeken: (1) woningbouw, (2) infrastructuur, (3) zorg, (4) de verhouding jong/oud, (5) immigratie en (6) economie. Prof. Mäding beschreef hoe de ontwikkeling van een stad tegen de theoretische achtergrond van zes demografische processen kan worden bekeken: (1) bevolkingsafname, (2) vergrijzing, (3) heterogenisering, (4) individualisering, (5) migratieprocessen en (6) suburbanisering. Voor het gemeentelijk bestuur betekent dit dat zij op adequate wijze aandacht moet vragen voor de juiste randvoorwaarden, die de mogelijkheid bieden voor een planning van de stadsontwikkeling op de lange termijn. Immers, de stadsontwikkeling moet op gemeentelijk niveau worden uitgevoerd.

Prof. Bakker verduidelijkte de door prof. Mäding uiteengezette grondbeginselen aan de hand van de voorbeelden Rotterdam en de Utrechtse wijk Leidsche Rijn. Voorop staat de ontwikkeling van deze projecten in z'n totaliteit. Rotterdam als stad die opnieuw moest worden opgebouwd en de Leidsche Rijn als nieuw ontworpen stadswijk. De meest kenmerkende overeenkomst tussen de beide projecten is dat in de eerste plaats rekening is gehouden met de kwaliteit van de leefomgeving, zonder de balans met andere factoren uit het oog te verliezen.

Bewegingsradius In de daaropvolgende discussie werd getracht 'de toekomst van de stad, de stad van de toekomst' te concretiseren. Eén van de vragen die daarbij werd behandeld was of de omgeving aan de bewoners kan worden aangepast, óf dat de bewoners zich aan hun omgeving dienen aan te passen. Prof. dr. Walther van de Technische Universiteit Berlijn merkte op dat meerdere antwoorden mogelijk zijn. Uit de discussie werd evenwel snel duidelijk dat zowel in Duitsland als in Nederland naar een compromis moet worden gezocht. Gesuggereerd werd een stad zo te ontwikkelen dat deze als het ware uit meerdere 'dorpen' bestaat. Ter verduidelijking werden enkele reeds uitgevoerde projecten besproken en werd er een vergelijking met Berlijn gemaakt. De bijzondere beperkingen aan de uitbreidingsmogelijkheden in Berlijn leidde automatisch tot een dergelijke ontwikkeling. Onderzoek heeft verder uitgewezen dat mensen bij de vervulling van hun dagelijkse behoeften in beginsel geen grote 'bewegingsradius' hebben. Tegen deze achtergrond en gezien het feit dat er inmiddels brede kennis en ervaring bestaat die enkel nog gemobiliseerd en gecommuniceerd dient te worden, kunnen generatie-overstijgende projecten worden gestart. De stadswijken moeten in alle dagelijkse behoeften kunnen voorzien (scholen, medische zorg etcetera) om op deze wijze een levendig geheel te vormen waarin zich zowel oorspronkelijke als nieuwe bewoners zich thuis kunnen voelen.

Vervolgens werd de financiering van dergelijke projecten, maar ook de moeilijkheden die worden veroorzaakt door de omvangrijke wet- en regelgeving te sprake gebracht, alsmede de vraag of realisering überhaupt mogelijk is. Daarbij werd er door prof. Mäding en prof. Bakker op gewezen dat zowel de Nederlandse als de Duitse bepalingen wel degelijk zinvol zijn. Met het oog op de financieringsvraag werd duidelijk dat van de staat geen middelen zijn te verwachten. Derhalve werd gesuggereerd de benodigde middelen te halen uit andere bronnen, zoals particuliere woningbouwverenigingen en soortgelijke investeerders.

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger